Oase, Wies de Bles, 2003

Aan de rand van het dorp staat, midden op een open plek die omgeven is door bomen, een vreemd beeld. Twee verschillende, uit roestvrij staal gesneden palmbomen op een heuveltje van keien, waaruit ook nog eens wat ‘cactussen’ groeien. Op de achtergrond, vanuit het dorp gezien,  ontvouwt zich het voor Zeeland zo kenmerkende horizontale polderlandschap, met in de verte het Borsselse bos, de groene buffer tussen het dorp en het industriegebied waarin de kerncentrale domineert.

Die centrale en het bos waren voor Wies de Bles de twee aangrijpingspunten voor het beeld ‘Oase’, dat op zijn minst verrassend is op een plek waar je een exotisch oord niet verwacht. Het vervreemdende wordt versterkt door de aanblik van het beeld. Soms valt het licht zo op het glad gepolijste oppervlak dat het weerkaatst en het beeld lijkt op te lossen in de omgeving. Op andere momenten doemen de palmen als vage omtrekken uit het niets op. ‘Oase’ zou daarom ook luchtspiegeling of fata morgana kunnen heten.

Een oase kan zich ontwikkelen dankzij de aanwezigheid van water in een verder kale, hete woestijn. Een oase is dus van oorsprong verbonden met een gebied waar de zon dagelijks brandt en de temperatuur tot grote hoogte opjaagt. In de kerncentrale vinden processen plaats die energie opwekken. Ze komen voor een deel overeen met wat er in de Zon plaatsvindt. Die is eigenlijk de grootste kerncentrale in onze buurt, met dien verstande dat hij vooralsnog op veilige afstand staat.

Het bos als buffer tussen kerncentrale en dorp krijgt steun van een fictief palmbos, een plek om naar toe te vluchten in je verbeelding. Daarmee is het beeld ook de uitdrukking van het verlangen te ontsnappen naar zo’n oase, waar niets dan de natuur zelf perfecte levensomstandigheden schept, terwijl wij kunst en vliegwerk moeten toepassen om in onze veiligheid en onze energie te voorzien.